"Als je ziek bent, wil je soms ook gewoon gaan dansen"

geplaatst op 29-11-2017

Eerder deze maand werd voor de elfde keer de LUX-prijs uitgereikt tijdens een van de Straatsburgweken van het Europees Parlement. Eén van de genomineerden was 120 battements par minute, een film die er in Cannes met de Grand Prix vandoor ging. 120 BPM delfde in Straatsburg het onderspit tegen het Zweedse Sami Blood, maar ontving als een van de films op de shortlist wel distributiesteun in de vorm van ondertiteling in de 24 talen die de EU rijk is. VERS sprak in Straatsburg met coscenarist en voormalig Act Up-voorzitter Philippe Mangeot.

(Vlnr) Acteur Antoine Reinartz, producent Marie-Ange Luciani, voorzitter van het Europees Parlement Antonio Tajani en coscenarist Philippe Mangeot.
 
We zitten in een klein, muf kamertje, ergens op de zevende verdieping van het bijna buitenaards ogende parlementsgebouw. Het tapijt is even grijs als de buitenlucht, en we nemen plaats in een paar bureaustoelen. Kort voor het interview maakte Mangeot nog deel uit van een persseminar met onder andere Western-regisseur Valeska Grisebach en LUX-coordinator Doris Pack. Onderwerp was de wijze waarop film verandering teweeg kan brengen door bewustzijn te creëren, of Europese waarden te versterken. Het duurde niet lang voordat Mangeot de discussie een hak probeerde te zetten: “Als ik even iets mag vragen, wat is Europese film eigenlijk? Als Wim Wenders in Cuba een film maakt, is het dan een Europese film?”
 
De discussie zelf werd door de opmerking niet veel verder geholpen, maar het is duidelijk dat Mangeot hier niet is om in vaagheden te praten. Niet verwonderlijk, aangezien 120 BPM juist een film is die erin slaagt een politiek thema concreet te maken, en dichtbij te halen. Onderwerp is de activistische beweging Act Up-Paris, die in ’89 als afsplitsing van haar grote zus uit de Verenigde Staten werd opgericht. Doel was om de levens van hiv-positieven te verbeteren – zowel op het gebied van wetgeving als medische behandeling – en bewustwording over preventie te vergroten. Om dit te bereiken zette de beweging radicale middelen in, vaak resulterend in een gratis ritje achterin een arrestatiebus. In een vroege scène valt de groep het gebouw van een farmaceutisch bedrijf binnen, al schreeuwend de muren bekladdend met kleverig nepbloed. Ze zijn ziek en ze hebben hulp nodig, zo snel mogelijk.




Mangeot ontmoette regisseur Robin Campillo (Eastern Boys, Les revenants) als lid van de Act Up, waarvan Mangeot tussen 1997 en 1999 voorzitter was. Toen al spraken ze de wens uit een film te maken over het onderwerp, maar er gingen twee decennia overheen voordat ze dit verhaal uiteindelijk zouden vertellen. Een verhaal dat naast de politieke ook de persoonlijke dimensie zou vangen. “We hadden het idee dat er twee zwarte dozen, twee arena’s zouden moeten zijn. De eerste doos zou de vergaderruimte zijn, waar alle acties worden gepland en geëvalueerd. De tweede zwarte doos is de slaapkamer. Tussen deze twee plekken komen de personages tot leven. We schiepen ze vanuit onze eigen herinneringen”.
 
Opvallend is hoe gedurende de film de focus geleidelijk verschuift. We maken eerst kennis met de groep als geheel en de open en democratische discussieruimte die ze hebben ingericht. Naarmate de film vordert, rijzen er hoofdpersonages uit het ensemble: de nieuweling en hivnegatieve Nathan (Arnaud Valois) en de steeds zieker wordende Sean (Nahuel Pérez Biscayart), met wie hij een fysieke relatie aanlegt. “De connectie tussen het eerste en het tweede deel van de film is voor onszelf nog steeds een enigma. Soms maak je een film omdat je niet weet hoe dingen in elkaar grijpen, het persoonlijke en het politieke. En ik denk dat beide delen hetzelfde zeggen op verschillende manieren.”
 
Terwijl we het collectief zijn frustratie over achtergehouden onderzoekresultaten en een onverschillige regering zien uiten, zijn we ook getuige van de indirecte, menselijke gevolgen. Een van de centrale personages verliest gewicht en levenslust, en uiteindelijk het leven zelf. “Wat nog steeds veel indruk op me maakt – en ik zeg dit net alsof ik niet aan de film heb meegewerkt – is dat dit voor de eerste keer is dat ik in een film zie hoe een dood lichaam eruitziet. Gewoon zo [slaat met zijn vuist op de stoelleuning] een levenloze huls. En eens een keer geen contemplatieve beelden van de lucht, even geen betekenis. Gewoon hier. Zwaar en hier. Het maakt me keer op keer aan het huilen”.
 
Ondanks dat 120 BPM zijn karakters volgt in hun diepste dalen, is de vertelling vaak licht en energierijk, waarbij menig actie wordt afgesloten in de discotheek. De kern van de beweging was het leven, niet het voortijdig eindigen hiervan. Het ging om jonge mensen, die, hoewel ze niet gehoord werden, vooral gewoon jong wilden kunnen zijn. “Je moet begrijpen: mensen waren zo bang voor ons. We laten het in de film niet zien, je ziet alleen de binnenkant van de cirkel. Maar daarbuiten waren mensen zo bang voor ons. Hierdoor vormden we een grote familie. Een kleine gemeenschap, maar een grote familie van verlangen. Van broers, vrienden en seksmaatjes. En we voelden ons zo levendig in deze gemeenschap.”


 
Mangeot legt uit dat het lichaam altijd centraal moest staan in de vertelling, zowel in de slaapkamer als in de collegezaal. Waar tijdens het vergaderen hevig geijsbeerd, gewezen en met vingers geknipt wordt (een daverend applaus zou per slot van rekening de spreker overstemmen), zijn de scènes tussen de lakens traag en teder. “Voor mij is vooral de eerste seksscène heel belangrijk. Ik vind het heel mooi hoe lang alles duurt. Elke keer dat ik een seksscène in de bioscoop zie, snap ik niet hoe ze het voor elkaar krijgen. Ze vinden binnen no-time elkaars kont, en alles is altijd passievol. In deze film kost het tijd, omdat het soms werkt en soms niet. Het niet weten, blijven proberen, en het experimenteren rond ieders verlangen. Ik denk dat dat is waar de liefde ligt.”
 
De wijze waarop 120 BPM in deze scènes het lichaam van de hiv-positieve mens in beeld brengt, ligt op een lijn met wat Act Up eind vorige eeuw ook probeerde te bewerkstelligen. “Het was altijd een kwestie van het tonen van lichamen. Want we waren jong, we hadden seks, we vochten. Het idee van Act Up was dat we niet alleen wilden worden gezien als lijdende lichamen. We konden ook liefhebbende lichamen zijn, of vechtende lichamen, of feestende lichamen. Als je ziek bent, wil je soms ook gewoon gaan dansen.”

Tekst: Matthijs van der Veer
 



meer artikelen