Buiten de Afrikaanse lijntjes kleuren

geplaatst op 07-10-2017

Het continent Afrika: bijna drie keer zo groot als Europa, opgedeeld in 54 onafhankelijke staten. Helaas bij veel mensen vooral bekend van de Giro 555 beelden met hongerige, bolbuikige kinderen in onmenselijke omstandigheden. Daarentegen nauwelijks bekend van de grote diversiteit aan films die er vandaan komen, door de westerse filmwereld vaak op één hoop gegooid onder de noemer: World Cinema. Veel Afrikaanse filmmakers hebben daar genoeg van, zo blijkt uit het A positive image of Africa-debat tijdens het World Cinema Festival Amsterdam. Vier regisseurs met verschillende achtergronden delen er hun visie en ervaringen. 

Giro 555 imago
Afrika als containerbegrip. Het is een stereotype beeld, in stand gehouden door de eindeloze echo’s ervan in onze hedendaagse beeldcultuur. Wanneer je ‘Afrika’ op Google intikt word je om de oren geslagen met een grote hoeveelheid beelden van enerzijds arme, uitgehongerde of criminele mensen in townships en anderzijds halfnaakte mensen met traditionele kralen en speren. Beelden die bijna geen Afrikaan nog kan vertegenwoordigen, net zoals dat geen enkele Nederlander meer houten klompen draagt. Voor Nederlanders is de associatie met klompen en tulpen een nietszeggend probleem. Voor Afrikanen, die permanent geassocieerd worden met armoede, het slavernijverleden en oorlog – ongeacht in welk Afrikaans land dit heeft plaatsgevonden – is het een terugkerende aanval op de diversiteit aan identiteiten.
 
Van dat Giro 555 imago, dat Europeanen vanaf jonge leeftijd aangeleerd krijgen, moeten we af. Het wordt tijd dat de verschillende Afrikaanse landen als volwaardig gezien worden. Als landen die zelfstandig hun eigen politieke keuzes maken en niet hulpbehoevend zijn in verhouding tot het ‘patriarchale Westen’. “Afrika heeft niemand nodig! Het is juist andersom: Iedereen heeft Afrika nodig!”, vindt dichter en activist Jerry Afriyie. Vaak zijn het de commerciële Westerse bedrijven die Afrika liever dat afhankelijke, hulpbehoevende imago aanmeten vanuit eigen winstoogmerk en superioriteitsgevoel, legt Afriyie uit. Ook het overgrote deel van de Westerse filmindustrie ondersteunt en herhaalt - onbewust of niet - dit oude, gestereotypeerde derdewereldbeeld van Afrika. Zowel Afrika als het Westen zullen zich in de toekomst moeten inzetten om deze beeldvorming te transformeren.
 
De voorwaardelijke Afrikaanse identiteit
De vier uitgenodigde regisseurs zijn zowel zeer verdeeld als ook eensgezind over hoe ze met dit probleem willen omgaan binnen het kader van films maken. Ze delen om te beginnen een grote frustratie over de typische culturele en soms zelf racistische vooroordelen waar zij tegenaan lopen bij de financiering van hun projecten. Zo maakte regisseur Rahmatou Keïta eindeloze omzwervingen door Europa om haar nieuwe fictiefilm gefinancierd te krijgen, ondanks eerdere succesvolle projecten waarmee zij zich al ruimschoots bewezen dacht te hebben. Opvallend was dat geen enkel Europees filmfonds brood leek te zien in haar verhaal. In haar thuisland werden haar ideeën wel begrepen en kon het project eindelijk gelanceerd worden. Wellicht een verschil van cultuur dat dwarslag, denkt Keïta, al kan ze niets bewijzen. Inmiddels draait haar film wereldwijd op allerlei festivals. Regisseur Caroline Kamya heeft een soortgelijk verhaal. Van haar filmplan werd vaak gezegd dat het niet genoeg binnen World Cinema past. Waarschijnlijk werd daarmee bedoeld dat de thematiek – de nasleep van een leven als kindsoldaat – een te somber Afrika neerzette, denkt Kamya. Net als Keïta lacht ze schamper: “Ik houd er niet van als andere mensen mij vertellen wie ik moet zijn. Mijn films vertellen wel wie ik ben.”


 
Stigma's op de schop
Hoewel de vier filmmakers niet de hele dag door bezig zijn met hoe hun film op een positieve manier kan bijdragen aan de beeldvorming van Afrika als geheel of hun Afrikaanse thuisland specifiek, houden ze er zeker rekening mee in de manier waarop ze hun verhaal vertellen. Zo vertelt Keïta over de vormgeving van haar film The Wedding Ring waarbij ze besloot de aftiteling niet naar het Engels te vertalen, om de taal van haar eigen land in zijn waarde te laten. Ook de gedragscodes en thematische taboes die Keïta in de film behandeld, zoals 'liefde voor een buitenlander', zijn typerend voor het leven in Niger, het land waarin het verhaal zich afspeelt. Dit soort elementen weerspiegelen veel specifieker en waarheidsgetrouwer de cultuur van haar land dan een Hollywoodfilm ooit zal kunnen. Zo ook laat filmmaakster Apoline Traoré met haar tragikomische roadmovie Frontières zien dat we in Afrika met meer dan één land te maken hebben. Elk land heeft zo zijn eigen cultuur, en daarmee zijn eigen eigenaardigheden. Zo kan een reiziger uit Senegal zich compleet vreemd voelen in een buurland als Mali. Ze laat hiermee zien dat het containerbegrip 'Afrika' echt toe is aan revisie.
 
Het World Cinema genre
Identiteit wordt te vaak als label op je geplakt, benadrukken de filmmakers. En dat is misschien wel de kern van het probleem in de hedendaagse, wereldwijde filmindustrie. We zitten nog te veel vast in het ‘genre denken’. Daarmee worden Afrikaanse filmmakers, ongeacht de diversiteit in afkomst, vaak in het hokje World Cinema gestopt. Traoré werd hiermee geconfronteerd toen ze op jonge leeftijd vanuit haar thuisland Burkina Faso naar de Verenigde Staten vertrok om film te studeren. In Amerika maakte ze voor het eerst kennis met het genre World Cinema. Als Afrikaanse werd ze daar meteen mee geassocieerd. Frappant genoeg had ze er in haar thuisland nog nooit gehoord. Het is een genre waarvan de meeste Westerse productiemaatschappijen overtuigd zijn dat er maar matig publiek voor te vinden is, en het dus vaak een te groot risico vormt om te produceren. En als een producent er al enigszins voor open staat, willen ze er wel zeker van zijn dat er een beeld wordt neergezet dat grotendeels aansluit bij wat 'de boer' kent, zodat het verkoopt.
 
Ook de Nederlands-Surinaamse regisseur Hesdy Lonwijk kan hierover meepraten. Zijn ervaring met een Nederlandse omroep beschrijft hij als niet om over naar huis te schrijven: zijn keuze voor acteurs met gemêleerde afkomst voor zijn serie over het multiculturele Rotterdam, kon niet goedgekeurd worden: “De cast was niet wit genoeg.” Hier zou het Nederlandse publiek nog niet klaar voor zijn.
 
Filmmakers zijn ook mensen
Anders dan regisseurs zoals Traoré en Kamya die á la minute de barricades zouden willen opgaan om hun frustratie te uiten ter verdediging van hun achtergrond, kiest Lonwijk voor een andere manier van aanpak. Hij wil in zijn werk in de eerste plaats gezien worden als mens en dat de persoonlijke verhalen die hij via zijn films verteld gehoord worden. Of dat nou een verhaal is over een witte buurt of over gekleurde mensen: het doet er niet toe. Hij wil zich niet te veel bezighouden met zijn afkomst en de beeldvorming die dat met zich meebrengt. Natuurlijk ontkom je niet aan je politieke achtergrond en de kwesties die daarbij meespelen, maar zijn afkomst definieert hem niet, zegt hij zelf. “We zijn allemaal mensen, dat zou voorop moeten staan en is de grootste factor die ons bindt,” aldus Lonwijk. Het is een houding die blijkbaar publiekelijk niet gemakkelijk hoog te houden is in het huidige filmklimaat, maar waarschijnlijk wel goed te gebruiken als intrinsieke overlevingsstrategie voor elke filmmaker die belang hecht aan zijn eigen verhalen en vooral vanuit die motivatie bereid is buiten de lijntjes te kleuren.


 
Voor meer films en discussies rond dit onderwerp is er het iAfrica Film Festival Den Haag op 6 t/m 8 oktober. 

Tekst: Annelieke Vleugel
Foto's: Melanie Lemahieu



meer artikelen