Één zwaluw maakt nog geen zomer

geplaatst op 27-09-2017

Laat ik maar meteen met de deur in huis vallen. Ik ben niet wit. Mijn achternaam is niet Jansen of Smit. Maar ja, ik ben wel Nederlands. Ik ben laten we zeggen… een niet typische Nederlander. Nee, dat klinkt raar. Een nieuwe Nederlander dan? Maar ik ben toch altijd Nederlands geweest en ben hier opgegroeid. Allochtoon kan je tegenwoordig natuurlijk ook niet meer zeggen. Wat ben ik dan? Een Nederlander met een gemengde culturele achtergrond? Kan dat wel? O ja, en dan ben ik ook nog een vrouw.

Kan ik niet gewoon mezelf zijn?
Toen mij door de redactie werd gevraagd om mijn artikel over diversiteit een persoonlijke inslag te geven, heb ik even stilgestaan of ik dat wel wilde. Immers waarom zou ik het meteen over mezelf moeten hebben, omdat ik toevallig onder enkele ‘diverse’ groepen val? Maak ik het dan bovendien niet meteen makkelijk voor anderen om me in een bepaalde hoek neer te zetten – iets waar ik sowieso al vaker mee te maken heb? En is het mijn verantwoordelijkheid om als ‘diverse’ filmmaker op de barricades te staan en mijn ervaringen te delen en uit te leggen aan een (grotendeels wit) publiek? Kan ik niet gewoon mezelf zijn? Zo heb je als persoon en filmmaker met een ‘diverse’ achtergrond meteen al te maken met een verscheidenheid aan vragen en twijfels voordat er überhaupt een woord geschreven is of een film gemaakt is.
 
Na #oscarssowhite en controverses in Hollywood omtrent het casten en witwassen van Aziatische en Arabische personages in de nieuwe live-action versie van Aladdin (2019), Ghost in the Shell (2016) en Exodus (2014), wordt duidelijk dat er een steeds grotere bewustwording ontstaat onder het publiek over onderwerpen als diversiteit en representatie. In Nederland wordt inmiddels ook meer aandacht aan het onderwerp besteed en wil men de situatie verbeteren, want ook hier heerst een gebrek aan diversiteit in de filmwereld.
 
Anderhalf jaar geleden werd daarom de Werkgroep Diversiteit opgericht door de Dutch Directors Guild (DDG), ACT Acteursbelangen, Netwerk Scenarioschrijvers en Filmproducenten Nederland (FPN). Deze groep heeft als taak de zaken rondom diversiteit te inventariseren en doet aanbevelingen over het verbeteren van de huidige situatie. Echter een veelgehoord punt van kritiek is dat het vooral bij praten en vergaderen blijft zonder dat er daadwerkelijk iets gedaan wordt. Twintig jaar geleden had men het namelijk ook al over dit onderwerp. Wat is er eigenlijk veranderd na de oprichting van deze werkgroep? Ogenschijnlijk niet bijster veel. Het Filmfonds heeft sinds begin dit jaar een nieuw beleid ingevoerd waarin bij elke subsidieaanvraag een gedeelte gewijd moet worden aan hoe de film bijdraagt aan diversiteit in de Nederlandse filmwereld. Dit kan op basis zijn van meerdere criteria, zoals het verhaal, de cast of de crew. Ook omroepen doen steeds meer aan diversiteitstrainingen.
 
Ondanks deze goede bedoelingen lijkt het alsof het de Nederlandse filmindustrie ontbreekt aan een duidelijk uitvoerbaar en meetbaar beleid, want naast dit nieuwe onderdeel in de subsidieaanvragen bij het Filmfonds is er verder (tot nu toe) niets anders. Het Zweedse Filmfonds werkt met quota’s om er voor te zorgen dat de achterstand die vrouwelijke filmmakers ervaren iets meer recht getrokken wordt. De BBC werkt met targets voor representatie op tv en targets voor op de werkvloer, waar ze ook verantwoording voor moeten afleggen. Ze doen aan talentontwikkeling en mentorschappen voor mensen uit diverse groepen (op basis van culturele achtergrond, geslacht, seksuele oriëntatie en handicap) en realiseren diversiteitstrainingen voor hun management en HR-afdeling. In Nederland is er verrassend genoeg niet eens een incasso gemaakt van de huidige stand van zaken: eventuele verbeteringen zouden dus ook nergens tegenover gehouden kunnen worden. Voor meer informatie hierover verwijs ik naar de uitstekende column van In-Soo Radstake.
 
‘Divers’ hokjesdenken
Ondanks deze punten van kritiek is het natuurlijk mooi dat er zoveel welwillendheid is om de situatie te verbeteren, maar er zitten meer haken en ogen aan dit onderwerp. Van de kant van de filmmakers hoor je de angst om bestempeld te worden als een ‘diverse’ maker – die lastige tweestrijd die ik eerder al beschreef. Ze vragen zich af of ze wel serieus zullen worden genomen of dat hun prestaties eerder weg zullen worden gewuifd als resultaat van diversiteitsbeleid. Of dat ze – nog erger – alleen geacht worden om ‘diverse’ films te maken. Zo ken ik bijvoorbeeld een Syrische regisseur die steeds maar weer het advies krijgt om zijn films over de oorlog in Syrië te laten gaan, want dat is volgens het witte Europese filmestablishment zijn kracht en unieke perspectief.
 
Hoeveel verbetering is er daadwerkelijk als diverse representatie voor en achter de schermen altijd gepaard gaat met een issue over diversiteit? Kan iemand niet gewoon een persoon zijn die toevallig een bepaalde achtergrond heeft? Het is leuk dat een geweldige acteur als Issaka Sawadogo zijn plek in de Nederlandse filmindustrie heeft gevonden, maar het is wel jammer dat hij meestal de rol van illegale immigrant of vluchteling speelt. Is het niet vermoeiend om mensen steeds in een hokje te plaatsen van etniciteit-gender-seksuele geaardheid-handicap? Ik word er eerlijk gezegd wel moe van. “Ik ben een regisseur, geen vrouwelijke regisseur,” zei een oud-klasgenoot van mij recentelijk. Ze hekelde alle talentprogramma’s die gericht zijn op het dichten van de kloof, omdat die juist haar vrouw/anders zijn benadrukken in de goede bedoelingen van diversiteitspolitiek.
 
Tijdens mijn studie heb ik weleens gedacht: waar zeurt iedereen nou over? Als je maar je best doet en goede films maakt, dan kom je er wel. Bovendien: wat kan je anders doen? Klagen? Janken? Maar terwijl alles gewoon zijn gangetje ging, zonder enige regels of bewustwording, trokken mijn mannelijke klasgenoten zich wel onbewust makkelijk naar elkaar toe, kozen ze vooral elkaar uit om mee samen te werken en werd bijna geen enkele van mijn vrouwelijke klasgenoten uitgekozen als DoP. Na die eerste projecten was de toon gezet en hadden de mannelijke DoP’s daarna meer te laten zien in hun portfolio. Hetgeen het makkelijker maakte hen uit te kiezen voor het volgende project, omdat ze meer ervaring hadden. Aldus in de microkosmos van school is het ongelijke speelveld ook al aanwezig.  
 
Zijn speldenprikjes genoeg?
Het ontbreken van diversiteit is een structureel probleem waar natuurlijk niet alleen de filmwereld mee worstelt. Het is goed dat er in de Nederlandse filmindustrie veel goede wil is om de situatie te verbeteren en te bediscussiëren. Maar als men de intenties van de filmwereld écht serieus wilt nemen, is de eerste stap die gezet moet worden het maken van een duidelijk uitvoerbaar en meetbaar beleid – iets wat tot nog toe ontbreekt. Daarnaast moet men diversiteit niet enkel als een goed doel zien waarbij de ondervertegenwoordigden een bot toegeworpen krijgen, maar moet men de waarde van diversiteit ook op inhoudelijk niveau omarmen. Wanneer er nieuwe perspectieven zijn, is er potentie om nieuwe en verschillende soorten verhalen te vertellen die voorbij stereotype of slachtofferrol gaan. Als organisatie lijkt het mij namelijk verschrikkelijk om navelstaarderig te zijn en steeds maar weer dezelfde soort dingen te produceren, vastgeroest in gangbare ideeën en mensen (zie ook het artikel van filmcriticus Karin Wolfs hierover in de Filmkrant). Juist wanneer diversiteit niet alleen een op zichzelf staand doel is, maar ook puur uit eigenbelang wordt nagestreefd (zij het inhoudelijk of financieel), denk ik dat er de meeste hoop op verbetering is.
 
Regisseur Shariff Nasr, lid van de Werkgroep Diversiteit, merkte in de paneldiscussie van CineTalks in VondelCS enkele maanden geleden op dat het de werkgroep dan ook vooral gaat om het geven van speldenprikjes: het continu bevragen van keuzes die gemaakt worden tijdens het filmmaken. Als er bijvoorbeeld in een rolomschrijving een dokter van middelbare leeftijd staat, hoeft dat niet per se een witte man te zijn. Deze bewustwording is zeker belangrijk, omdat we zoveel dingen impliciet aannemen en er tijdens het maken van een film heel veel keuzes gemaakt worden waar we misschien niet eens bij stil staan. Het is echter de vraag of deze speldenprikjes zonder meetlat en uitvoerbaar beleid genoeg zijn om die verandering waar iedereen naar lijkt te streven ook echt waar te maken. 
 
Damned if you do, damned if you don’t. Wat er ook gebeurt, het zal nooit helemaal goed zijn, maar niks doen is nog erger. We houden de vooruitgang van de werkgroep en het Filmfonds in ieder geval in de gaten en zullen dit onderwerp zeker in ons achterhoofd houden bij het bezoeken van het Nederlands Film Festival.

Tekst: Abigail Prade



meer artikelen