Vergeetputten in de hoogte

geplaatst op 14-02-2018

Als je iets niet meer ziet, bestaat het dan eigenlijk nog wel? De prachtig gestileerde documentaire Rabot van de Vlaamse filmmaakster Christina Vandekerckhove (39) over vergeten armoede, wanhoop en liefde in een Gentse sociale woontoren, maakt pijnlijk zichtbaar dat deze struisvogeltactiek niet werkt. Haar film won de Publieksprijs van het Film Fest Gent en werd geselecteerd voor de Bright Future competitie van het afgelopen IFFR, een sectie voor opkomend filmtalent.

Hoe belangrijk is het voor beginnende makers om geselecteerd te worden voor een internationaal festival?
“Dat is heel belangrijk. Het kan deuren openen. Iedere filmmaker wil dat zoveel mogelijk mensen je film zien. En een filmfestival is natuurlijk een mooi podium om je film internationaal te vertonen. Mijn film is een Gents verhaal, maar ook zeer universeel. Ik ben daarom heel blij dat hij door het IFFR is geselecteerd.”
 
Hoe is de film tot stand gekomen?
“Aanvankelijk wilde ik een film maken over de hele Rabotwijk. Omdat ik geen goede insteek had, liep ik daar letterlijk en figuurlijk verloren rond. Als je een film maakt, moet je weten wat je wilt zeggen. Op een gegeven moment zag ik de drie sociale woontorens, waarvan ze er één al aan het ontmantelen waren. Dat moest het zijn! Al die mensen die weg moesten, met al die verhalen.”
 
Op welke manier heb je de bewoners benaderd?
“In 2014 ben ik begonnen met research. Ik ben letterlijk van appartement naar appartement gegaan. Veel mensen wilden niet meedoen. Wanneer iemand wél wilde, stak ik daar al mijn energie in: ik ging vaak op bezoek, stelde veel vragen en observeerde vooral. Zo kon ik bepalen of er een mooi verhaal in zat.”

De bewoners lijken zich op hun gemak te voelen voor de camera. Hoe heb je hun vertrouwen gewonnen?
“Dat kost tijd. Zeker omdat zij in het begin vrij achterdochtig waren. Ik ben er daarom heel veel geweest: bijna vier jaar lang kwam ik er meermaals in de week. Iedereen kende mij op een gegeven moment en ik werd bijna zelf een bewoner. Zo won ik het vertrouwen van de mensen.”
 
 
In de film observeer je de bewoners tijdens hun dagelijkse beslommeringen. Je laat hun levensgeschiedenis grotendeels achterwege. Waarom heb je dat gedaan?

“Ik wilde een film maken in het hier en nu. Het moest een raamvertelling worden die het gehele blok zou portretteren, en niet per se de mensen zelf. Door veelheid ontstaat eenheid. Ik heb er daarom bewust voor gekozen om veel van de inhoud eruit te laten. Het gebouw is het hoofdpersonage van mijn film.”
 
Je kijkt op een empathische manier naar de bewoners, zonder oordeelvorming.
“Ik wil waarnemen en tonen. Er moet heel veel in het hoofd van de kijker zelf gebeuren, net zoveel als op het scherm. Ik wil niet moraliserend zijn. Iemand met een naald in zijn arm zal ik nooit veroordelen, want ieder verhaal heeft zijn waarheid en nuance. Dat heeft het blok mij geleerd.”
 
Het gebouw voelt bijna letterlijk als een personage, met zijn afbrokkelende buitenkant en sombere interieur.
“Het gebouw inspireerde mij om de film te maken. In zijn buik zag ik al die lege ruimtes, gangen en vakjes waar de mensen in woonden. Ik vroeg mij af wat al die muren gezien en gehoord hebben. Daarbij komt nog dat het gebouw werd neergehaald en mensen er kwamen om vanaf te springen. Het gebouw was als het ware een eindhalte voor die mensen. Dat prikkelde mij enorm.”
 
Ook geluid speelt een belangrijke rol in je film.
“Ik vind klank heel belangrijk. Als je in het gebouw rondliep, hoorde je de wind die vrij spel had. Het kraken en de liften die in de schaften schoten. Het was een soort van levend wezen dat langzaam afbrokkelt. Ik wilde iets met die klanken doen.”
 

 
Je ziet dat veel van de bewoners in een sociaal isolement terecht zijn gekomen. Wat kunnen wij als maatschappij doen om dat te voorkomen?

“De woontorens zijn vergeetputten in de hoogte geworden. Ik denk dat we dat dikwijls niet willen zien. Ze staan meestal aan de periferie en het is daarom makkelijk geworden om ze ongemoeid te laten. De blokken zijn een cocktail van veel verschillende soorten mensen die bij elkaar zijn gezet. Dat zorgt natuurlijk voor een moeilijke manier van samenleven. Die manier van mensen samen brengen, werkt gewoon niet meer. Dat is achterhaald. Als ik dan toch een oordeel moet geven...”
 
De bewoners hebben met jouw film een spreekbuis gekregen, vertelde je. Vind je het een morele plicht van beeldmakers om sociale misstanden aan te kaarten?
“Zelf vertrek ik altijd vanuit een artistiek oogpunt. Als je een maatschappelijk relevante film wil maken, des te beter. Maar ik denk niet dat het een plicht is om dat te doen. Ik ben geen Ken Loach. Ik kijk heel graag naar zijn films, maar dat zit niet in mij. Mijn film is maatschappelijk relevant, maar ik wil niet dat het moraliserend wordt. Dat is soms een dunne lijn.”
 
Veel bewoners leggen de schuld voor de slechte omstandigheden bij buitenlanders. Dat toon je onder andere door de racistische teksten in het gebouw.
“Er is heel veel racisme in dat blok. De muren en liften zijn de kranten van de blokken. Door dat te tonen, weet je genoeg. Veel mensen die in een moeilijke situatie zitten, zoeken een zondebok. En dat is vaak diegene waarmee je niet kunt praten. Dat is het makkelijkst.”
 
 
Eén bewoner zegt: ‘Maakt niet uit zwart of Turk, ik wil alleen maar een beetje contact met elkaar!’ Is dat de oplossing om tot elkaar te komen?

“Dat denk ik wel. Ik vind dat ook het grootste statement in de film. Veel mensen vragen aan mij wat er fout is gegaan met de blokken. Dat vind ik moeilijk, want ik ben geen socioloog of antropoloog. Ik denk dat we allemaal wel een beetje het contact met elkaar zijn verloren. Dat moeten we weer terugvinden.”

Ondanks de treurige omstandigheden spreekt er hoop uit je film. Mensen zorgen voor elkaar uit naastenliefde. De film eindigt zelfs letterlijk met een vrolijke noot.
“Ik vond het leuk om uit het genre te stappen. En het was ook wel nodig dat de film naar het einde toe een bepaalde zachtheid kreeg. Omdat het begin van de film zo donker en hard is, wilde ik eindigen met een catharsis. De bewoners gaan ergens anders naartoe. Er is hoop. Het komt allemaal wel goed.”



Tekst: Daniël Beenen



meer artikelen