Hollywood heeft meer tijd nodig voor “vrouwenfilms” van kwaliteit

geplaatst op 26-09-2018

Ja, de vrouwenbeweging in Hollywood boekt vooruitgang. Maar zullen we dat niet als excuus zien om op onze lauweren te rusten? Ik wil niet degene zijn die nooit tevreden is, maar na vorige week tien dagen op het Toronto International Film Festival – een festival dat op het gebied van gendergelijkheid in de filmindustrie vooruitstrevender is dan vele anderen – te hebben rondgelopen, verlaat ik de stad alsnog moedeloos. Begrijp me niet verkeerd, alle initiatieven en acties die de aandacht richten op het seksisme en de ongelijkheid in de filmindustrie verwelkom ik met open armen. Maar terwijl vooral mainstream films, die nog met name worden gemaakt door en voor mannen, rustig de vruchten plukken, blijft kwalitatief resultaat voor de vrouw op weg naar het ideale eindstation (50-50 man-vrouw) nog uit.

Als vrouwelijke kijkers willen we uiteindelijk waarachtige en kwalitatieve representatie op het scherm en vrouwen aan de frontlinie in het veld. Daar zijn we duidelijk nog niet. In Toronto kreeg ik de befaamde Bechdeltest – die voor het eerst in 1985 werd “gebruikt” in de comic Dykes to Watch Out For, van cartoonist Alison Bechdel – namelijk niet uit mijn hoofd. Een test zo simpel dat het enkel vraagt om (1) minimaal twee vrouwen in de film, die (2) met elkaar praten, over (3) iets anders dan een man. Ik kan je vertellen dat het filmaanbod van TIFF anno 2018 er bekaaid vanaf komt.
 
Bezoekers van het festival kregen wel een programmering met 35% vrouwelijke regisseurs voorgeschoteld en de festivalorganisatie ondernam verschillende acties om de positie van vrouwen in de filmindustrie te verbeteren. Maar van de veertig films die ik keek, slaagde nog niet de helft voor de Bechdeltest, lieten überhaupt maar vijftien films echt de stem van een vrouw horen en werden maar twaalf scripts geschreven door of in samenwerking met een vrouw.
 
Gelukkig zijn er wel steeds meer films te zien waarin een vrouw – in allerlei posities – een man op het matje roept en hem het achterste van haar tong laat zien. En dat zorgt terecht voor een massale (vrouwelijke) “yes, girl” uit de bioscoopzaal. Echter hoeft de film daar kwalitatief niet per se goed voor te zijn. En daar kunnen we gezien de huidige positie van vrouwen in de industrie eigenlijk ook nog helemaal niet van uitgaan.
 
Het zou arrogant zijn om te denken dat alleen het bieden van een podium aan vrouwen en allerlei programma’s in het leven roepen om vrouwen aan posities te helpen direct resultaat boeken én ook gelijk garantie bieden voor kwaliteit. Dat is echter wel de consensus. “Vrouwenfilms” worden kwalitatief gezien nu al onder dezelfde kritische lens gelegd als “mannenfilms”, van (mannelijke) filmmakers die al veel langer hun ambacht hebben kunnen beoefenen en bijschaven.
 
Dat verklaart wellicht waarom de strijd om meer gelijkheid in film tot nu toe vooral zijn vruchten afwerpt op die zogenaamde mannenfilms. Het toenemende werk van de hand van minderheden en het daarmee meer toelaten van iemands complexe kwaliteiten en de zachtere kant naast de harde, krachtige kant te laten leven – een gegeven waar veel vrouwelijke makers zich voor de leeuwen gooien – maakt ruimte voor diezelfde aanpak in verhalen over en van mannen.
 
 
Kijk naar The Sisters Brothers (John C. Reilly, Joaquin Phoenix, Jake Gyllenhaal) bijvoorbeeld. Een buddy western waarvoor je het woord ‘Bechdeltest’ niet eens in je mond hoeft te nemen, zo weinig vrouwen zijn er op het scherm te zien. (Ondanks een welverdiende shout out naar Rebecca Root, één van de weinige transseksuele actrices momenteel in de spotlight.) Echter krijgt John C. Reilly’s karakter Eli tussen alle agressiviteit en het geweld de kans om tot bloei te komen. Inclusief een liefhebbende kant, voor zijn paard en broer Charlie (Joaquin Phoenix), en een onzekere avontuurlijke kant, wanneer hij bijvoorbeeld tandpasta ontdekt en uitprobeert.
 
Zelfs in een film die zich volledig afspeelt in de jaren ’90-wereld van Stevie (Mid90s), een 13-jarige jongen middenin zijn proces om een man te worden in een (deels voorbije) periode waarin homofobie en misogynie nog zo alledaags en vrijelijk werden geuit, kan een gerespecteerd personage zijn zogenaamde ‘feminiene’ kant helemaal omarmen én blijven schitteren. Jake Gyllenhaals quote als vader tegen zijn zoon in Paul Dano’s Wildlife vat dit gevoel in deze films misschien wel het beste samen: “Ben je soms te oud om je vader een zoen gedag te geven? Mannen tonen elkaar ook liefde, hoor.”
 
Dat de aanhoudende actie op het gebied van meer gelijke representatie op het scherm en de set nu vooral kwantitatief resultaat boekt, staat buiten kijf. Zo was die 34% vrouwelijke regisseurs in de programmering van TIFF dit jaar alweer een kleine vooruitgang ten opzichte van de 33,6% van vorig jaar. Het festival startte ook een vijfjarenplan voor meer gelijkheid in de industrie, vulde de directie aan met Joana Vicente [voormalig bestuurder van het New Yorkse Independent Filmmaker Project, de grootste en oudste in de Verenigde Staten] en tekende de festivaldirectie de “50/50 in 2020”-belofte, die streeft naar een gelijke man-vrouwverhouding over de hele linie van het festival voor het einde van 2020. De nieuwste golf aan vooruitgang heeft Hollywood dus wel degelijk bereikt. Met het gevolg dat menig industrieman en -vrouw zichzelf nu al op de schouder klopt, wat mogelijk geïnterpreteerd kan worden als een teken om te rusten. Maar zullen we dat eens een keer niet doen? 
 

 
We kunnen het ons niet veroorloven. Al eerder in de filmgeschiedenis is de positie van vrouwen genegeerd of volledig uitgeveegd. Het is Lynchiaans hier, Kubrick-esque daar, maar niemand heeft het over bijvoorbeeld Alice Guy-Blaché. De eerste vrouwelijke filmmaker die al in 1896 haar carrière begon en meer dan 400 titels op haar naam heeft staan. Je zou denken dat dat je wel verzekert van een prominente plek in de filmgeschiedenis. Desondanks kennen maar weinig mensen haar naam.
 
Recente statistieken liegen er nog steeds niet om. Van 800 films, gemaakt tussen 2007 en 2015 door 886 regisseurs, was maar 4,1% van vrouwelijke hand. Dat blijkt uit onderzoek van het Annenberg Inclusion Initiative. In die 800 films zitten 35.205 pratende karakters (en dan hebben we het over één gesproken woord, meer niet), waarvan minder dan een derde vrouwelijke rollen zijn. En als je dat vergelijkt met een steekproef uit films tussen 1946 en 1955? Is er niks veranderd. Meer dan een halve eeuw later!
 
Één van de eerste fases waar dit aan de kaak kan worden gesteld, is natuurlijk het geschreven woord. Het goede nieuws is dat actrices inmiddels aangeven meer scripts te ontvangen waarin vrouwen completer en complexer dan ooit worden neergezet en niet meer alleen de vrouw van of de tolerante vriendin zijn. Het slechte nieuws: de opties en keuze voor kwaliteit zijn nog steeds niet noemenswaardig en dat maakt dat veel van dat soort rollen het scherm misschien wel nooit zullen halen.
 
Een deel van dat probleem ligt natuurlijk in de financieringsfase. Daar worden veel scripts en projecten van of over vrouwen al door de eerste poortwachters tegengehouden. Het Annenberg Inclusion Initiative onderzocht dat vrouwelijke filmmakers wel degelijk harder moeten vechten om een project te mogen maken dan hun mannelijke tegenhangers, want een film door of over vrouwen wordt nog steeds gezien als een risicovolle investering. Ondanks bewezen economische en kritische successen als Thelma & Louise (1 Oscar), Frozen (2 Oscars), The Hurt Locker (2 Oscars) en Blue Jasmine (1 Oscar).
 
Zelfs als het gesprek gaat over dingen die vrouwen onmiskenbaar anders ervaren of simpelweg beter weten omdat ze vrouw zijn, moet er harder gestreden worden. Een meer evident voorbeeld dan de geboorte van een kind kan ik niet bedenken. Een ervaring die mannen – helaas – nooit zullen hebben. Over het wel of niet opnemen van een dergelijke geboortescène in een film over een tienerkoppel dat nota bene ongepland zwanger raakt, heeft – geloof het of niet – werkelijk een discussie plaatsgevonden tussen een vrouwelijke scenarist en mannelijke financier.
 
In het script voor Stupid Young Heart, van het voor een Oscar genomineerde Finse filmmakersduo Kirsikka Saaria (scenarioschrijver) en Selma Vilhunen (regisseur), stond een “behoorlijk lange” geboortescène beschreven. Saaria vertelt ons in een interview op TIFF: “Normaal gesproken wordt zoiets in films vrij rap getoond: de baby is er; je hoort misschien wat geschreeuw; vervolgens zie je allemaal blije gezichten en dat is het. Maar wij weten allemaal dat het zo niet gaat”, lacht ze. En dus werd het een belangrijk moment in het verhaal voor Kiira, die net als haar vriendje Lenni worstelt met het aanstaande ouderschap. “Ik wilde laten zien wie er nu eigenlijk sterker is, zij of Lenni?” Tijdens het schrijfproces was hier, “natuurlijk”, grinnikt ze bijna afkeurend, veel discussie over met de financiële besluitvormers. Moest de zwangerschap en de daaropvolgende geboortescène er wel echt in, was de vraag. Want het verhaal van de zoekende jongen in deze moeilijke tijd was interessant, maar de rest? “Ik weet het niet”, zei één van hen.
 
Gelukkig haalde de scène uiteindelijk de film. Maar ik kan het niet helpen me af te vragen of een mannelijke regisseur net zo zou hebben moeten vechten voor, bijvoorbeeld, een uitgebreide actie- of vechtscène in zijn buddy-copfilm? Wellicht is dat te wijten aan het feit dat we het gewoon nog niet vaak genoeg hebben gezien. Dat verklaart in ieder geval deels het risico dat financiers voelen wanneer zij voor een “vrouwenfilm” gaan.
 
Daarom is het motto van Geena Davis, één van de voorvechters van die befaamde Bechdeltest: “Als ze het kan zien, kan ze het zijn.” Ook wel het ‘CSI-effect’ genoemd, dat o.a. verwijst naar de enorme toename van vrouwelijke studenten in de forensische wetenschappen (+10% tussen 2000 en 2008) naar aanleiding van de voorbeelden in de CSI-series. Wellicht heeft het ook een omgekeerd effect: dat mannen door het zien van vrouwen op het scherm en de filmsets meer empathie en begrip op kunnen brengen voor hen en hun verhalen, en het onderdeel wordt van een nieuwe standaard.
 
 
Want daar moeten we naartoe. En dat kost tijd, dat weet ik. Laten we die dan ook nemen, elkaar gunnen, maar ook blijven strijden voor meer en beter. Want het moge duidelijk zijn: we hebben nog een lange weg te gaan. Vrouwen voor en achter de schermen een podium bieden alleen is nog niet voldoende. Als de filmindustrie meer inclusief wordt, voor álle minderheden, wordt de filmervaring en het perspectief van iedereen verbreed en verbeterd. Niet omdat het werk van vrouwen per definitie beter is, maar omdat het zien van elkaars verhalen je blik op de wereld verruimt en over de hele linie voor meer empathie zorgt. Volgens mij is dat waar dit hele kaartenhuis uiteindelijk op balanceert.
 
Voor iedereen die komende weken een aantal filmmarathons heeft gepland op het Nederlands Film Festival: zet eens een andere bril op en kijk met dezelfde Bechdel-sterkte als ik op TIFF naar de nieuwe Nederlandse releases. Misschien trekken dan meer mensen hun strijdpak aan.

Tekst: Loeke de Waal 



meer artikelen